Belichaming

Geen lichaam is hetzelfde. Geen enkel individueel lichaam is elke dag hetzelfde. Elk lichaam heeft een unieke vorm, een uniek dna en een unieke geschiedenis, elke dag een beetje anders. Wie er bij stilstaat dat in het totale heelal, in de bijna 14 miljard jaar van haar bestaan, geen lichaam 100% gelijk is, gelijk is geweest of gelijk zal zijn – ook gekloonde lichamen niet – dan is het toch wel heel bijzonder en dankbaar stemmend om überhaupt dit unieke lichaam te hebben, met zintuigen om het eigen zelf, de wereld en anderen te beleven.

Om jong te zijn en oud te worden. Om aan te komen en af te vallen. Om soms sterk te zijn en soms wat zwakker. Om aan te raken en om dingen te maken. Om te worden geboren en uiteindelijk dood te gaan en dan het levende lichaam af te leggen, als een geliefde die lange trouwe dienst bewezen heeft.

Wie kan er niet van genieten om ‘in’ het lichaam te zijn?

Afgezien van jonge kinderen en vitale hoogbejaarden: zeker niet iedereen. Veel mensen lijken te hebben vergeten dat ze ook een lichaam zijn. Het leven speelt zich af in hun ‘mind’, het hoofd, en op het scherm. Alleen in geval van pijn of ziekte worden zij eraan herinnerd dat hun mentale belevingswereld vastzit aan een materiële drager, die hen dan (vervelend!) niet langer toestaat te vergeten dat ze er is (paracetamol!). Grappig toch, dat mensen die hun lichaamservaring volledig zijn kwijtgeraakt dit met ‘mindfulness’ trachten te herstellen.

Kleding en het lichaam zijn nauw met elkaar verbonden, nauwer dan kleding en identiteit. Kleding is met stip de eerste levensbehoefte. Een lichaam kan langer zonder water en voedsel dan het kan zonder kleding om het te beschermen tegen onderkoeling, oververhitting of beschadiging.

En toch gaat kleding in de tegenwoordige cultuur meer over de geest dan over het lichaam. Wat iemand draagt gaat niet zozeer over haar wezenlijke relatie met het lichaam, maar over het beeld dat zij wil uitstralen naar anderen toe, of naar zichzelf in de spiegel (al dan niet als selfie). Sterker, soms is het lichaam verworden tot een soort kledingstuk, als iemand het voortdurend modificeert met dieet, krachttraining, cosmetische operaties, tatoeages, zonnebank, extensions, additions, piercings, waxing, scarring, botox en fillers. Een kunstmatig gecreëerd ‘lichaamspak’ van eigen vlees, eigenlijk een kledingstuk van huid en haar.

De hedendaagse obsessie met een geïdealiseerde lichaamsvorm speelt zich niet langer af, zoals in vorige eeuwen, op het gebied van vormend lijfgoed (korsetten, hoepelrokken, pruiken, hakken) maar is verplaatst naar afvalfora, sportscholen en de wachtkamers van de plastisch chirurg. Grappig toch, hoe moderne vrouwen vol afschuw kunnen afgeven op de ‘knellende korsetten van vroeger waar je van flauwvalt’ terwijl ze zelf flauwvallen van de honger voor een maatje kleiner.

Standaard confectiematen en Instagram beheersen het beeld dat vrouwen van hun lichaam hebben. Ze proberen hun lichaam te vormen naar de kleding en de beelden die hen worden aangeboden in retail en platform in plaats van andersom. ‘Heb ik een grote kont in deze broek?’ vraagt men zich af, in plaats van ‘Valt dit model broek wel voldoende bevallig over mijn uniek gevormde billen?’

Uniformiteit is de norm geworden. Beter zou het individuele lichaam en de individuele pasvorm (en bewegingsbehoefte) leidend zijn in de kleding die men draagt en kiest. Kleding die specifiek is gemaakt voor het specifieke lichaam zal altijd comfortabel en flatteus zijn. Trends, mode en groepsgedrag hoeven dit niet in de weg te staan. Lichaamsomvang al helemaal niet. Er bestaat niet zoiets als een ‘te dun’ of ‘te dik’ lichaam. Een lichaam is eenvoudigweg wat het is. Het hoeft niet te voldoen aan een bepaalde standaard,

Dit is echter wel wat confectiematen en Instagram vereisen: een bepaalde standaardizering. Wie zich in een zekere confectiemaat perst, of een cliché lichaamspose aanneemt voor hét Instagramplaatje, verbergt in zekere zin haar lichaam. Jammer.

‘Fitting first, design second’ is het devies. Het begint met het in kaart brengen van de vorm van het lichaam door het van top tot teen en van borst tot bil op te meten, gewoon met een centimeter.

Een full bodyscan in een 3d-cabine die alle maten automatisch uitleest is een mogelijkheid die hopelijk in de toekomst algemeen beschikbaar zal zijn. In Australische winkelcentra wordt deze mogelijkheid al mondjesmaat aangeboden – dan vooral om mensen meer dure merkkleding te laten kopen, maar de thuismaakster zal met het lijstje lichaamsmaten zeker opgetogen naar huis en naar de patroontekentafel gaan.


Complete 3D bodyscan met maatopneming. Beeld: Aniwaa.

Gratis online software zoals Make Human maakt het tevens mogelijk om lichaamsmaten in te voeren en een unieke, helemaal naar het lichaam gemaakte ‘digitale dressform’ te maken, al moet er dan wel een manier worden gevonden om deze fysiek te reproduceren (bijvoorbeeld in laagjes karton uit de lasercutter via de gratis online software Slicer for Fushion 360).


Model van het hoofd op maat, eerst 3D gescand en toen in laagjes uitgesneden met de lasercutter. Beeld: Teresa van Twuijver.

Het lichaam als maakinstrument
Niet alleen is het lichaam uniek. Ook wat het lichaam kan maken is uniek. De mens als maker is letterlijk zo oud als ons bestaan. Een van de vroege menssoorten, de Homo habilis of ‘handige mens’, dankt haar naam aan het feit dat zij – met haar handen – al gereedschappen maakte, in ieder geval van steen (dat 2,5 miljoen jaar bewaard kan blijven).

De mens is niet de enige soort die gereedschappen maakt of een technologie beheerst (bevers bouwen dammen, wevervogel weven nesten, chimpansees gebruiken hengels om termieten uit een hol te vissen – en waarschijnlijk heeft de Homo habilis haar eerste werktuigjes gewoon afgekeken van dieren), maar de mens heeft wel als enige soort het maken van dingen en het ontwikkelen van technologie centraal gezet in haar evolutie. Zo heeft de mens bedacht, ergens in de vroege achttiende eeuw, dat het handiger is om machines te maken die het werk verrichten dat tot dan werd gedaan door mensenhanden, om te beginnen spinnen, weven en breien. Ziehier het begin van de industriële revolutie.


De eerste breimachine ter wereld, Engeland, 16de eeuw. Zonder elektriciteit is met dit apparaat het menselijk lichaam nodig voor het vervaardigen van gemachineerd breiwerk. Je kunt je afvragen of dit enorme instrument nu werkelijk sneller en handiger is dan een aantal breipennen in de handen van een vaardige ambachtsvrouw. Beeld: publiek domein.

Jonge breister, Vincent van Gogh (1881). Beeld: Wikicommons.

Machines en machinaties hebben de menselijke makershand op een zijspoor gezet. Hoewel in de textielindustrie de menselijke makershand die naden stikt, zomen afwerkt en knopen aanzet nog steeds niet door robots is vervangen (alle kleding die ik nu draag is door mensenhanden in elkaar gezet, inclusief de mijne), heeft de lopende band toch gezorgd voor eerder genoemde standaardisering en confectiematen. Uit de modefabrieken rollen miljoenen kledingstukken (van sxx tot xxl) die precies gelijk zijn, inclusief de high-market modelabels die in limited editions worden geproduceerd.

Vreemd genoeg heeft dit gezorgd in een standaardisering van kopersverwachtingen. Terwijl de eigentijdse kledingconsument slechts nog vluchtig kennis heeft van hoe een kledingstuk wordt vervaardigd, heeft zij tegelijkertijd geen verdraagzaamheid meer voor onafgewerkte naden, ingezette stukken, bonkige boorden met slijtkoord en niet-kleurechte dessins. De binnenkant van een kledingstuk moet net zo ‘netjes’ zijn als de buitenkant. Voor een tevreden aankoop is van het kledingstuk vereist dat het voldoet aan een foutloze kwaliteit, ‘box fresh’ verpakt in vloeipapier en plastic bubbels en een tas of doos met logo erop.

Maar de kwaliteit en de schoonheid die met de mensenhand wordt bereikt is voor de machine niet weggelegd. Ook al laat handwerk soms naden onafgewerkt en wordt er her en der een lapje ingezet, handwerk is – om het ronduit te zeggen – intelligenter. Het is vaak preciezer en meestal ook steviger. Op de hand werk ikzelf veel nauwkeuriger en netter dan met de naaimachine, hoewel ik dat machinestikken toch ook heel goed onder de knie heb.

Decoraties, dessins en versieringen, zoals borduur-, kraal- en kantwerk, zijn handgemaakt vele malen adembenemender dan hun machinaal geproduceerde evenknie. (Voor een overzicht van handwerktechnieken voor het decoreren van textiel kijk in het archief van het Textile Research Centre Leiden.) Als metafoor: een scooter die veertig kilometer per uur rijdt is nooit zo indrukwekkend als een olympische medaillewinnaar die veertig kilometer per uur rent. De keiharde training, de volledige toewijding, het bijzondere talent, het mentale karakter en de gigantische tijdsinvestering maken het verschil.

Zo ook de onvolkomenheden die handwerk herkenbaar en karakteristiek maken. In machinaal geproduceerd borduurwerk zitten geen foutjes. In handwerk zijn de foutjes er altijd: iemand heeft verkeerd geteld, heeft per ongeluk een andere kleur garen gebruikt, heeft een deel van het patroon overgeslagen, of heeft het handwerk neergelegd om verder te gaan met minder licht of in een andere stoel, waardoor de ogen minder scherp zijn of de handen het werk net iets anders vast kunnen houden.


Handgeborduurd jak uit 1740. Beeld: Museo del Traje, Spanje.

Machinaal geborduurde replica van 18de eeuws Spaans jak. Beeld: Sewstine.com. Sewstine maakte ook een machinaal geborduurde replica van onderstaande 18de eeuwse redingote uit de collectie van het Rijksmuseum.

Japon (redingote) uit 1786-1789, zijde, geborduurd. Beeld: Rijksmuseum. Onder: hetzelfde borduurmotief, machinaal geborduurd (links) en met de hand (rechts). Beeld: Sewstine.com.

Handwerk is herhaalbaar maar niet reproduceerbaar, dus in dat opzicht niet geschikt voor fabrieksproductie. Handwerk is daarmee ook niet opschaalbaar naar oplages van miljoenen stuks (tenzij miljoenen textielarbeiders voor vele uren intensief en gespecialiseerd werk worden aangetrokken, wat de industrie zich in de kapitalistische businessmodellen niet kan veroorloven).

Aan de hand zit natuurlijk ook een maker vast met een brein en een verbeelding. De handwerkster is zo verbonden aan het maakproces, dat zij voortdurend kan controleren of het wel goed gaat en of er oplossingen nodig zijn voor problemen die ontstaan. Ze kan het gehele proces overzien, heeft een idee van het beoogde eindresultaat en kan bijsturen wanneer dat slimmer is. Ze kan tevens besluiten dat iets mooier is wanneer zij afwijkt van het oorspronkelijke plan. Elke maker heeft bovendien een eigen signatuur, net als een eigen handschrift, omdat ze steken op een bepaalde manier uitvoert en een bepaalde eigen stijl heeft omdat haar werk nu eenmaal de unieke optelsom is van lichaam + persoon + omstandigheden + omgeving + tijdsperiode + materialen + voorkeur.

Uiteindelijk is het natuurlijk een kwestie van smaak. Machinaal geproduceerd borduurwerk kan ook ongelooflijk mooi zijn en het is veel sneller klaar: met de borduurmachine is binnen een week meters stof versierd, terwijl de handwerkster zeker een jaar aan de slag is voor dezelfde lengte. Maar dit laatste maakt het ‘langzame belichaamde werk’ nou juist precies zoveel kostbaarder, het is een geschenk van persoonlijke aandacht en een buitengewone tijdsinvestering.


Geborduurde muiltjes uit 1660. Beeld: Rijksmuseum.