Muts

#Nul afval #Hergebruik #Plantenverf (zie ‘technieken van Zaankogerland’)

Met letterlijk ontelbare haarproducten in supermarkt en drogisterij is het voor de huidige consument onvoorstelbaar dat mensen op Zaankogerland, wanneer al die haarproducten slechts verkrijgbaar zijn in Utopia, Fantasia, Luilekkerland en Droomland, mutsen dragen om hun haar ofwel te verbergen (vettige lokken, kale plekken, grijze stroken) ofwel te beschermen tegen ‘schadelijke invloeden van buitenaf’, zoals zonlicht, zure regen en rook van het haardvuur. Ook biedt de muts, in tijden waar centrale verwarming eveneens niet bestaat, de broodnodige extra warmte. De muts is een must op Zaankogerland.

De basismuts van Zaankogerland is gemaakt van twee rechthoekige lapjes stof die aan de vooronderkant (kaaklijn) en bovenachterkant (schedeldak) in een ronde lijn zijn geknipt. De lapjes worden langs de bovenkant van hoek tot hoek aan elkaar genaaid zodat de naad midden over het hoofd loopt. In de nek wordt een trekkoordje bevestigd om de stof aan te halen, zodat die strak om het hoofd komt te zitten. Langs de rand die nog ongestikt is, rondom het gezicht, wordt een sierkantje of zoompje genaaid. Voilà: de Hollandse muts (of hul) in een notendop.

Van boven naar beneden en van links naar rechts: muts met antieke sierkant, ondermuts van wolvilt, coif van plukjes testwol die in diverse plantenverf zijn gedoopt, coif van versleten kanten japon, gewatteerde en gequilte coif met ingebouwde mondkap, ondermuts geverfd met blauwe pigment afgevende bacteriën.

Eventuele zijflappen of ‘wieken’ van de muts, wereldberoemd in Volendam, zijn lange sierstroken aan de vooronderkant die worden teruggevouwen boven de oren. In Volendam zijn de mutsen, inclusief wieken, zo flink gesteven dat die wijd uitstaan. Op Zaankogerland worden extra lange wieken (ongesteven) gebruikt als ‘ingebouwde mondkap’ door – indien nodig – de flappen niet terug over de oren maar juist naar voren over neus en mond te vouwen.

Een variatie op deze basismuts is de middeleeuwse ‘coif’ (van ‘coiffure’, ‘kapsel’, maar dan in textiel). De coif is een lange rechte lap die aan de bovenkant slechts deels wordt vastgestikt. Op het topje van het hoofd wordt een tunneltje genaaid met een trekkoord die de muts in model trekt. Ook bij deze muts zit in de nek een trekkoordje, maar dan langer, zodat het koord over het hoofd kan worden gewikkeld om de muts extra goed te bevestigen.

Mutsen en coifs zijn bij uitstek geschikt om te maken van kleine restjes textiel die nergens anders goed voor zijn. Twee stukjes op A4-formaat kunnen, afhankelijk van de grootte van het hoofd, al voldoende zijn.

Wie het haar kort draagt zal zonder problemen een muts of coif kunnen opzetten. Mensen met lang haar hebben soms een grotere muts nodig waarin ruimte is voor een knot of vlecht. In Zaankogerland wordt het lange haar in een knot in de nek gedragen. De trekkoorden van de muts en coif worden vervolgens om de knot vastgebonden.


Staaltjes wol waarmee wordt getest op resultaten van plantaardige verfstoffen worden meestal weggegooid, maar er kan nog heel goed een mooie warme muts voor binnenshuis van worden gemaakt. De coif van zwart kant heeft lange trekkoorden in de nek die meerdere keren om het hoofd worden geslagen (linksonder). Een vrouw uit Assendelft (medio twintigste eeuw) droeg korte wieken aan haar muts maar sloeg ze toch pittig omhoog richting de oren (rechtsonder).