Duurzaam doe-het-zelven

Van exorbitante verspilling naar duurzaam textielgebruik: 7 argumenten voor zelf kleding maken

Long read

Kleding die een leven lang meegaat, wordt hersteld, aangepast en doorgegeven: in de 18e eeuw was het vanzelfsprekend. Vanuit die maakcultuur ontvouwt zich een scherp contrast met het huidige systeem van fast fashion en verspilling. Plus 7 concrete argumenten om toch weer zelf kleding te gaan maken in plaats van te kopen.

English Summary

Rediscovering past practices of clothing and craft reveals a world where every stitch was deliberate, clothing was designed to last decades, and knowledge of making and repairing textiles was widespread. In the 18th century, garments were tailored to individual bodies, reused, mended, and passed down through generations. This hands-on culture contrasts sharply with today’s fast fashion, where mass-produced items are discarded after a single season. Seven key arguments highlight why returning to making, beyond hobbyist pursuit, supports sustainability, nurtures skill, fosters creativity, and reinforces personal autonomy.

De 18e eeuw als ‘scharnier’-eeuw

In de 18e eeuw werd weliswaar het startschot geluid van de industriële revolutie, maar in cultureel-maatschappelijk opzicht was de eeuw net zo goed een klinkend slotakkoord van de middeleeuwen en de renaissance. De 18e eeuw was een ‘scharnier-eeuw’, waarin tegelijkertijd de eerste stappen werden gezet naar een geglobaliseerde wereldeconomie en de wegwerpmaatschappij, als ook de kroon werd gezet op een groot netwerk aan lokale economieën met een brede waaier aan kleine middenstanders en ambachtelijke huisnijverheid.

Van stoffenwinkels naar fast fashion

Zo kende het 18e-eeuwse Amsterdam (221.000 inwoners) maar liefst 117 winkels waar sitsen stof werd verkocht voor jakken en rokken die thuis werden gemaakt. Het huidige Amsterdam (ruim 900.000 inwoners) kent één winkel waar sitsen stof wordt verkocht en heeft, inclusief marktkooplui, ongeveer 30 ondernemers die handelen in rauwe textielmaterialen.

Een zuinige en praktische mentaliteit

De 18e eeuwse ‘mindset’ was niet alleen geworteld in geloof en gemeenschapszin (middeleeuwen en renaissance), maar ook in rationaliteit en praktische overwegingen (de verlichting). Ondanks de uiterlijk weelderigheid van de barok, de rococo en de opkomende romantiek waren de 18e-eeuwers in materiaalgebruik zuinig, sober en op de cent.

Ze waren meesters in spaarzaam en slim met hun kostbare materialen omgaan, ook degenen die met hun rijkdom pronkten. Textiel was een vorm van rijkdom: vóór de uitvinding van de stoommachine waren stoffen zeer tijdrovend om te produceren.

Leven met kleding, niet met mode

Tegelijkertijd was de 18e eeuw een tijd van economische achteruitgang, nadat in de 17e eeuw de sky de limit was geweest. Men moest letterlijk de broekriem aanhalen. Dus deden 18-eeuwers hun leven lang met kleding en droegen zij hun luxe zijdes, vergulde accessoires en exclusieve Brusselse kanten alleen bij gelegenheid, waarna ze weer netjes in de kast werden bewaard. In huis droeg men ‘negligé’, dagelijkse kleding die lekker zat en waar wel een vlek op mocht komen.

Ze hielden kledingstukken in goede staat, en als ze er vanaf wilden, schonken ze hun afdankers aan familieleden, kennissen, werknemers of erfgenamen. De kleding was zo gemaakt dat ze makkelijk kon worden vermaakt, hersteld en veranderd.

Kleding werd gedragen tot de slijtage niet meer op te lappen was. En er werd veel stof gebruikt, zo veel als men zich kon veroorloven. Want dan was er altijd voldoende materiaal voor reparaties en aanpassingen. Ook werd de kleding nauwlettend op maat gemaakt voor de persoon. Kleding die goed past slijt minder snel omdat niets wringt, trekt, hangt of sleept.

Zaanse 18e-eeuwers maakten kleding met een draagtijd van tientallen jaren, niet voor een periode van een decennium met een bepaald silhouet, niet voor een seizoen met de laatste mode uit de magazines (19e eeuw), en zeker niet voor een enkele dag voor een fijne egobooster op Instagram (21e eeuw).

Leren maken van jongs af aan

Vanaf jonge leeftijd werden met name meisjes het naaien en het zogenaamde stoppen geleerd; stoppen is gaten dichten met naald en draad. Tot het midden van 19e eeuw maakten meisjes een ‘uitzet’ (het totaal aan textielbezit) in miniatuur, om te oefenen met naaien en om te inventariseren wat zij als gehuwde vrouw zoal nodig hadden aan ‘lijfgoed’ en gebruikstextiel.

Miniatuuruitzet van Neeltje Koolhaas (1830-1910). Beeld: Marianne Havermans.

Liever een logo dan iets waar je lang mee doet

‘Wij’, rijke westerse 21e-eeuwers, kunnen ons dat nauwelijks voorstellen. Wij kopen geen materialen maar kant en klare ‘mode’ of ‘een merk’, industrieel gemaakte kleding die hooguit een seizoen meegaat en dan meestal wordt weggedaan. We maken nog nauwelijks iets zelf om te dragen, behalve als hobby of gespecialiseerd ambacht.

Al helemaal niet wordt van jonge kinderen gevraagd om hun toekomstige textielbezit te plannen, terwijl dit toch eigenlijk wel één van de belangrijkste levensbehoeftes is. Tegenwoordig is een logo (Adidas, Chanel) in de schoolklas belangrijker dan duurzaamheid.

Een verkeerde aanname over zuinigheid

Ons referentiekader voor zuinigheid en soberheid stamt uit WOII, waarin de toen al ingeburgerde seizoenscyclus van modeconsumptie werd onderbroken door een grote schaarste aan confectiekleding en rauwe textielmaterialen. Zuinigheid in die periode was een kwestie van de rit uitzitten met wat je had tot de oorlog voorbij was en je weer nieuwe dingen kon kopen.

‘Make do and mend’ stond synoniem met versleten schoenzolen, ragdun geworden truien en doorgesleten boorden die ‘gekeerd’ moesten worden (‘keren’ is het patroondeel van de boord letterlijk omdraaien, zodat de versleten kant in de naad verdwijnt en de oude onversleten naad tot nieuwe boord kan worden omgewerkt).

Dus lapte je je oude jas ‘for the time being’ op met grove steken, maakte je een nauwe kokerrok van wat je kon knippen uit een wollen herenhemd, gebruikte je een nylon legerparachute als basis voor een bruidsjurk en breide je een wintersjaal van de vacht van je hond.

Deel van de online expositie ‘Textile Tales from the Second World War’ in het Textile Research Centre, Leiden (2020).

Behelpen versus duurzaam ontwerpen

Zuinigheid was niet gericht op langdurige robuustheid; het was een tijdelijk ongemak van behelpen, pleisters plakken zonder het ware probleem aan te pakken. 18-eeuwers deden dat wel. Zij dachten na over duurzaam design in de letterlijke betekenis van het woord. Het plannen van een uitzet is in wezen het plannen van een lange-termijn ontwerpproces: wat heb je nodig, hoe kun je het maken en hoe kun je er zo lang mogelijk mee doen?

Een gedeelde maakcultuur

En omdat iedereen deed aan textiel-doe-het-zelven, was er veel kennis, kennisdeling en vaardigheid op het gebied van naaien en herstellen. De 18e-eeuwse maakcultuur zorgde ervoor dat alle mensen, dus niet alleen ‘fashion entrepreneurs’, verstand hadden van kleding. Wie iets niets wist, kon nog dezelfde dag vragen om uitleg en voorbeeld bij iemand in de naaste omgeving.

Hoewel er natuurlijk ook wel dingen werden uitbesteed aan commerciële naaisters en kledingmakers, die respectievelijk saai handwerk verrichtten of hooggespecialiseerde taken uitvoerden, zoals het maken van perfect passende rijglijven.

Zelf kleding maken was bovendien niet zo hopeloos ingewikkeld dat je er een jarenlange coupeuse-opleiding voor zou moeten volgen. Patronen werden per persoon getekend vanuit een eenvoudige basisvorm die werd bepaald door de borstomvang, de taille-omvang en soms ook de heupomvang, en de verticale afstand daartussen. Niks lastige berekeningen of onbegrijpelijke rekenformules zoals bij Rundschau, Danckaerts of de ‘Gouden Snit’-methode. Kunstige sluitingen, zoals met ingenaaide onzichtbare ritsen, waren er niet.

Verlies van vaardigheden

De tentoonstelling Mode op de bon in het Verzetsmuseum (2019), over Nederlandse textielschaarste tijdens WOII, gaf als één van de meest ontluisterende stellingen dat veel mensen de vaardigheid van naaien totaal waren verleerd, waardoor het voor heel veel mensen moeilijk was om zich voldoende beschermd en fatsoenlijk aan te kleden.

Ook waren mensen met minder geld extra de klos, omdat zij sowieso al vaak tweedehands kleding droegen die meer versleten was en dus niet meer op te lappen was. Mensen met wat meer geld hadden meestal ook wat meer ‘reservetextiel’ op zolder liggen.

De opkomst van de huidige consumptiemaatschappij

Na WOII nam de markt het weer over. Het thuis maken van kleding gebeurde nog wel, vooral omdat fabrikanten geld konden verdienen aan de verkoop van elektrische naaimachines. En ook omdat zelf maken voor thuisnaaisters toch nog voordeliger was dan kleding kopen, vooral kinderkleding. Totdat de textielindustrie in staat werd om kleding zo massaal en zo goedkoop te produceren, dat kopen en weggooien slimmer was voor consumenten dan maken en herstellen.

Ook kwam er een infrastructuur van winkelcentra en mode-outlets, om nog te zwijgen van webshops, die het kopen van wegwerptextiel nóg makkelijker en verleidelijker maakte. Liever lekker koffiedrinken met appelgebak in de stad en een nieuwe jurk op de koop toe dan dagenlang zwoegen achter de naaimachine, inclusief knippen, zomen en passen.

En zo gebeurde er in de jaren negentig van de vorige eeuw iets belangrijks op de redactie van weekblad Libelle. Het redactie-atelier, dat sinds de oprichting van het blad elke week een zelfmaakpatroon ontwierp voor ofwel een kledingstuk ofwel iets in huis, werd opgeheven. De Libelle-lezers moesten maar beter hun garderobe aanschaffen in plaats van vervaardigen.

Stoffenkaam van Bianca van Mechelen op de Amsterdamse en Utrechtse lapjesmarkten.

Zelfredzaamheid opnieuw bekeken

Alle neoliberale retoriek van ‘zelfredzaamheid’ en ‘persoonlijke vrijheid’ ten spijt, met al dat kopen worden zelfredzaamheid en persoonlijke vrijheid juist beperkt! Mensen worden helemaal afhankelijk van de kledingindustrie. De ware zelfredzaamheid en echte persoonlijke vrijheid schuilen in zelf je eigen kleding maken die 100% goed past en 100% goed staat.

Dus valt er veel te zeggen vóór doe-het-zelven. Een opsomming.

1 Doe-het-zelven is goed voor het klimaat

Kleding maken kost tijd, veel tijd. De consument, die binnen een luttele minuut iets kan hebben aangeschaft met een simpele muisklik, heeft deze tijd onzichtbaar ‘ge-outsourced’ naar de textielindustrie, de modemarkt en de lagelonenlanden.

Zelf een japon maken kost ongeveer 40 tot 80 uur, afhankelijk van de moeilijkheidsgraad. Dat is in de fabriek niet anders. Ook in de fabriek moet een japon worden geknipt, gespeld, geperst, gestikt, gezoomd, gebiesd, et cetera. Het verschil is alleen dat in de fabriek mogelijk 80 verschillende arbeidsters elk een uur van dit proces op zich nemen.

Een industrieel vervaardigde japon krijgt daarbovenop veel meer productietijd doordat ze moet worden verpakt, vervoerd, opgeslagen, verhandeld, gepresenteerd en geleverd. Er moeten reclamebureaus, modellen, fotografen en vormgevers worden ingehuurd voor campagnes.

De gehele productieketen van industrieel gemaakte kleding vergt het verbruik van enorme hoeveelheden fossiele brandstoffen, nog afgezien van de vervuiling en verspilling. Door kleding zelf te maken wordt deze enorme ‘fossiele voetafdruk’ vermeden. En dat levert behoorlijk wat CO2-winst op. Zelf kleding gaan maken is het equivalent van vegetarisch of veganistisch gaan eten.

2 Doe-het-zelven is goed voor het zelfvertrouwen

Wie iets heeft gemaakt dat mooi is, kan daar heel erg (en ook heel erg lang) intens tevreden mee zijn. Niets is zo bevredigend als ergens je best op doen, het ten slotte afronden, om dan vervolgens blij te zijn met het eindresultaat. Dat is een fantastische ‘egoboost’. Bovendien is de kleding gemaakt op je eigen unieke lichaam en past het bij je eigen unieke persoonlijkheid, naar eigen smaak en inzicht. Wat voor postuur en karakter je ook hebt, als je je kleding zelf maakt weet je altijd zeker dat het past en staat. En er goed uitzien is óók heel goed voor je zelfvertrouwen.

3 Doe-het-zelven is goed voor het professioneel op peil houden van millennia-oude kennis en ambachten

Paleontologen hebben via ‘micro-archeologie’ minuscule overblijfselen gevonden van textiel uit de tijd van de Neanderthalers. De technologie van spinnen, weven en naaien is letterlijk zo oud als de mensheid. Je zou zeggen dat zo’n oeroude technologie niet meer afgeleerd kan worden en toch gebeurt het op grote schaal. Er zijn kinderen die nog nooit een naald en draad hebben gezien en die niet weten waar Doornroosje zich nou precies aan prikt wanneer ze zit te spinnen.

De industrie heeft zich deze kennis toegeëigend en beschermt die middels patenten en ‘trademarks’. Zelf kleding maken betekent jezelf verdiepen in materialen en constructietechnieken, waarvan iets is gemaakt en hoe het in elkaar is gezet.

Een ambacht is ‘belichaamde’ kennis: je moet het doen om het te weten, en je moet het jaren doen om het echt te kunnen. Je kunt wel over een ambacht lezen in een boek of een film bekijken op YouTube, maar je kunt het ambacht niet onder de knie krijgen (of in stand houden) zonder het zelf uit te voeren.

4 Doe-het-zelven is goed voor oplossingsgericht denken en innovatie

Elk zelfgemaakt kledingstuk is een puzzel waarbij ook de meest ervaren naaister weer tegen een kennisgrens aanloopt. Altijd is er iets wat je niet snapt, wat je verkeerd hebt gedaan of wat je moet uitvogelen. Zelf kleding maken is een voortdurend leerproces waarin je constant groeit en stappen maakt.

Aanhoudend oplossingen moeten bedenken is een langdurig ontwerpproces dat uiteindelijk leidt tot nieuwe inzichten en innovatieve doorbraken.

5 Doe-het-zelven is goed voor de diversiteit

Antieke kledingstukken die de tand des tijds hebben doorstaan, onthullen één belangrijk kenmerk: niets is precies hetzelfde. Maat en vorm zijn uniek toegesneden op de (laatste) draagster, constructie en reparaties zijn volledig uniek toegepast door de (laatste) maakster. Kledingstukken kunnen ‘forensisch’ worden onderzocht om unieke sporen van gebruik, opslag en herstel te ontdekken.

Geen vrouw is hetzelfde, geen kledingstuk is hetzelfde. Doe-het-zelven doorbreekt de standaardisering van massaproductie en confectielijnen en vergroot daarmee de diversiteit.

6 Doe-het-zelven is goed voor gezondheid en welbevinden

Naaien is lichamelijke arbeid, al lijkt dat misschien niet zo. Immers is het bekende beeld dat de naaister stil op een stoel bij het raam zit, of geconcentreerd achter de naaimachine. Maar het vergt spierkracht om de materialen goed vast te houden of om die netjes door de machine te geleiden. Een groot kledingstuk is zwaar om lang in de handen te houden.

Een patroon knippen en aan elkaar spelden is een soort yoga die je soms op de grond en op handen en knieën moet uitvoeren. Strijken kan een zware klus zijn die een redelijke conditie vergt.

De fijne handmotoriek en geconcentreerde hand-oogcoördinatie van het daadwerkelijke stikken zet de hersencellen op een gefocuste manier aan het werk. De repetitieve herhaling van bepaalde naaihandelingen werkt meditatief, stress-verlagend en draagt bij aan mentaal welbevinden.

7 Doe-het-zelven is goed voor de gezelligheid en het ‘community-gevoel’

Stel, mensen gaan op grote schaal hun eigen kleding maken. Dan ligt het voor de hand dat er publieke werkplaatsen komen waar ze naaimachines, snijtafels, stoomstrijkijzers en andere hulpmiddelen (lasercutters, 3D-printers) kunnen delen, plus ‘bibliotheken’ met naaipatronen en ruilkraampjes voor het uitwisselen van stoffen en fournituren.

Vrouwen hebben in de loop van de geschiedenis elkaar vaak opgezocht om samen kleding naaien (of om dekens te quilten, of om truien te breien, of om halsdoeken te borduren). In groepsverband iets doen (in dit geval naaien) is een sterke sociale verbinder. Als individu kun je trouwens niet eens alle naaihandelingen alleen verrichten: voor maten opnemen, mouwen inspelden en rokzomen afspelden, om maar wat te noemen, is assistentie noodzakelijk.

Kimono voor in huis, gemaakt van de lap die werd gekocht op de markt (zie beeld hierboven).

Van verleden naar toekomst

Het (verre) verleden heeft de (nabije) toekomst. Sinds de coronacrisis daalt het besef neer dat wegwerptextiel niet belachelijk weinig kost, maar integendeel een onvoorstelbaar hoge hypotheek legt op een leefbaar klimaat.

Doe-het-zelven is niet alleen slim om een halt toe te roepen aan de klimaatcrisis, overconsumptie en wegwerpgedrag, maar zorgt ook dat de basale kennis over kledingconstructie en textiel weer beschikbaar komt. In de Staatsliedenbuurt in Amsterdam-West zijn inmiddels twee studio’s (Doe-het-zelf Diva’s en De Steek) waar naailes wordt gegeven. De wekelijkse lapjesmarkt in de Westerstraat heeft meer dan dertig kramen voor ruwe materialen, stoffen op de rol en fournituren.

Scroll naar boven