Onderhemd

#Nul afval #Hergebruik #Plantenverf #Naaien #Plooien (zie ‘technieken van Zaankogerland’)

Met het ineenstorten van de wereldeconomie in de jaren dertig van de 21ste eeuw was – zoals de Zaankogerlanders het benoemen – de tijd van het ‘afragondergoed’ voorbij. Grote warenhuisketens die grossierden in onderbroeken en hemden voor het hele gezin bestonden na de Ergst Denkbare Overstroming eenvoudigweg niet meer. Voorbij de tijd dat vrouwen rondliepen in verwassen slipjes en lubberende beha’s van Hema en Zeeman. Op Zaankogerland werd het onderhemd in ere hersteld, dat borsten, billen en bovenbenen bedekt en dagelijks dienst doet als onderjurk, onderbroek en nachthemd in één.

Ondergoed heeft als voornaamste functie: bescherming. De draagster wordt door ondergoed beschermd tegen alle invloeden van buitenaf. Tegelijkertijd worden door het ondergoed tussen- en overkleding beschermd tegen zweet-, bloed-, spuug- en overige vlekken veroorzaakt door willekeurig welk lichaamsvocht. Ondergoed neemt tevens vieze luchtjes op, wat des te meer belangrijk is als cosmetische producten schaars zijn. Een Zaankogervrouw maakt van elk model onderhemd drie stuks: een voor in de kast, een voor in de was en een voor aan de bast.

Het Zaankoger onderhemd wordt geknipt uit een rechte lap stevig linnen of katoen van circa 150 bij 200 centimeter. Er blijven geen restjes over. Het centrale gedeelte is een lange rechte strook zonder naad bij de schouders. De breedte is zo breed als de borstwijdte plus 4 centimeter voor draaggemak, de lengte is dubbelgevouwen 100 centimeter. In deze dubbelgevouwen lap wordt bij de vouw de hals uitgeknipt. De mouwen zijn rechthoekige lapjes. Het breedste deel is zo breed als de bovenarmomtrek plus 2 centimeter voor draaggemak. Onder de oksel wordt een stevig vierkant lapje van 15 bij 15 centimeter ingenaaid voor meer bewegingsruimte. Dit vierkantje dient ook om okselzweet op te vangen en kan makkelijk apart worden vervangen als geurtjes of verkleuringen er niet meer uitgewassen kunnen worden.

De mouwen vallen tot maximaal de elleboog. Vanaf de taille worden aan weerskanten van het lichaamspand geren (driehoeken) ingenaaid voor meer ruimte bij de benen. Als er onvoldoende stof is voor geren wordt in de zijnaad vanaf de dijen een spilt aangebracht. Elk seizoen heeft een eigen onderhemd dat specifiek rekening houdt met weersomstandigheden.

Zomerhemd
Dit prachtige hemd kan in geval van tropische hitte ook als over- en buitengoed worden gedragen. Er is een extra brede baan katoen gebruikt voor het lichaamsgedeelte, dat bovenaan over de lengte is teruggeplooid tot de normale breedte van borstwijdte plus 4 centimeter. De plooien lopen door tot de taille. Daaronder is de stof tot de volle breedte los gelaten, zodat geren of splitten niet nodig zijn. Het hemd heeft een diepe split bij de hals zodat het hemd n iet te warm wordt. De katoen is gebeitst in een oplossing van aluin, opgerold en voor de helft gedoopt in een verfbad van boerenwormkruid (dat een gele kleur geeft). Kopspelden zijn her en der in de stof gestoken. Het ijzer van de spelden gaat een reactie aan met de aluin en zorgt voor zwarte vlekjes. De gele kleur zal bij het wassen vervagen – het onderhemd wordt dus elke zomer, als het boerenwormkruid bloeit, opnieuw geverfd.

Lente- en herfsthemd
Dit hemd is gemaakt van een afgekeurde (want intens zonbeschadigde) lap stevige katoen die gratis werd weggegeven. Omdat de lap een ‘krijgertje’ was, was er onvoldoende stof voor een compleet hemd. De mouwen zijn gemaakt van een andere katoen, die werd gebeitst in aluin, geverfd met vlierbes, opgevouwen en gedoopt in een oplossing van appelazijn. De mouwen krijgen daardoor een blauw-roze dessin, dat overigens niet kleurecht is. Elke zomer worden de mouwen daarom losgehaald en opnieuw geverfd.

Winterhemd
Dit onderhemd is gemaakt van een zeer stevige lichtgrijze linnen met borduurwerk bij de hals en de onderzoom. Bijzonder zijn de losse lange mouwen, die met een knoopje aan het hemd kunnen worden bevestigd als het erg koud is.