Doe-het-zelven

In de achttiende eeuw werd weliswaar het startschot geluid van de industriële revolutie, maar in cultureel-maatschappelijk opzicht was de eeuw net zo goed een klinkend slotakkoord van de middeleeuwen en de renaissance. De achttiende eeuw was een ‘scharnier-eeuw’, waarin tegelijkertijd de eerste stappen werden gezet naar een geglobaliseerde wereldeconomie en de wegwerpmaatschappij, als ook de kroon werd gezet op een groot netwerk aan lokale economieën met een brede waaier aan kleine middenstanders en ambachtelijke huisnijverheid.

Zo kende het achttiende-eeuwse Amsterdam (krap 221.000 inwoners) maar liefst 117 winkels waar sitsen stof werd verkocht voor jakken en rokken die thuis werden gemaakt. Het huidige Amsterdam (ruim 900.000 inwoners) kent één winkel waar sitsen stof wordt verkocht en heeft, inclusief marktkooplui, ongeveer 30 ondernemers die handelen in rauwe textielmaterialen. (Natuurlijk kent het huidige Amsterdam – bijna 900.000 inwoners – dan weer honderden winkels en zelfs hele winkelstraten voor kant-en-klare kleding, wat in de achttiende eeuw onvoorstelbaar zou zijn geweest.)


Sitsenkramen op de kermis, begin negentiende eeuw. Beeld: Museum Rotterdam.

De achttiende eeuwse ‘mindset’ was niet alleen geworteld in geloof en gemeenschapszin (middeleeuwen en renaissance), maar ook in rationaliteit en praktische overwegingen (de verlichting). Ondanks de uiterlijk weelderigheid van de barok, de rococo en de opkomende romantiek waren de achttiende-eeuwers in materiaalgebruik zuinig, sober en op de cent.

Ze waren er meesters in geworden om spaarzaam en slim met hun kostbare materialen om te gaan, ook degenen die met hun rijkdom wilden pronken. Vóór de uitvinding van de stoommachine waren stoffen tijdrovend om te produceren en ging men er zuinig mee om. Ook was de eeuw een tijd van economische achteruitgang, nadat in de ‘Gouden Eeuw’ de sky de limit was geweest. Men moest letterlijk de broekriem aanhalen. Dus deden achttiende-eeuwers hun leven lang met kleding en droegen zij hun luxe zijdes, vergulde accessoires en exclusieve Brusselse kanten het liefst bij gelegenheid. Ze hielden kledingstukken in goede staat, om deze uiteindelijk te kunnen schenken aan familieleden, kennissen, werknemers of erfgenamen. De kleding was zo gemaakt dat ze makkelijk kon worden vermaakt, hersteld en veranderd. Kleding werd tot op de draad afgedragen. En er werd veel stof gebruikt, zo veel als men zich kon veroorloven. Want dan was er altijd voldoende materiaal voor reparaties en aanpassingen. Ook werd de kleding nauwlettend op maat gemaakt voor de persoon. Kleding die goed past slijt minder snel omdat niets wringt, trekt, hangt of sleept.

Zaanse achttiende-eeuwers maakten kleding met een draagtijd van tientallen jaren, niet voor een periode van een decennium met een bepaald silhouet, niet voor een seizoen met de laatste mode uit de magazines (vanaf de 19de eeuw), en zeker niet voor een enkele dag voor een fijne egobooster op Instagram (vanaf de 21ste eeuw). Vanaf jonge leeftijd werden (met name) meisjes het naaien én stoppen geleerd.

Tot het midden van negentiende eeuw maakten meisjes een ‘uitzet’ (het totaal aan textielbezit) in miniatuur, om te oefenen met naaien én om te inventariseren wat zij als gehuwde vrouw zoal nodig hadden aan ‘lijfgoed’ en gebruikstextiel. Textielhistorica Marianne Havermans onderzocht een aantal van deze miniatuuruitzetten.


Miniatuuruitzet van Neeltje Koolhaas (1830-1910). Beeld: Marianne Havermans.
Instructieboek met voorbeelden, Ierland 1833. Beeld: publiek domein.

Textielhistorica An Moonen deed in 2002 voor het jaarboek van de Nederlandse Kostuumvereniging onderzoek naar hoe jonge meisjes in het Overijsselse Markelo niet alleen hun linnenuitzet zelf maakten, maar hiervoor ook eigenhandig het benodigde vlas verbouwden op kleine akkers. Als een oogst tegenviel, leverde dat een ‘gat in de uitzet’ op – die op de huwelijkse dag werd opgevuld met geleend textiel van vrienden en buren. Een rijkgevulde linnenkast was de ultieme trots van de pas getrouwde Markelose vrouw, die alles met haar eigen handen, van lijnzaadje tot bedlaken, had gecreëerd.


Vrouwen in Markelo rollen het linnen op dat zij – helemaal zelf, van vlas tot weefsel – hebben gemaakt. Beeld: Stichting Heemkunde Markelo.

‘Wij’, rijke westerse eenentwintigste-eeuwers, kunnen ons dat nauwelijks voorstellen. Wij kopen geen materialen maar ‘mode’, industrieel gemaakte kleding die hooguit een seizoen meegaat en vervolgens wordt weggedaan. We kopen geen textiel om lang mee te doen en wij maken nog nauwelijks iets zelf om te dragen – op een kleine groep enthousiaste amateurs en ambachtsmensen na. Al helemaal niet wordt van jonge kinderen gevraagd om hun toekomstige textielbezit te plannen, terwijl dit toch eigenlijk wel één van de belangrijkste levensbehoeftes is. Een logo (Adidas, Chanel) is in de schoolklas belangrijker dan de kwaliteit van het desbetreffende kledingstuk.

Ons referentiekader van zuinigheid en soberheid stamt uit WOII, waarin de seizoenscyclus van modeconsumptie noodzakelijk werd onderbroken vanwege een grote schaarste aan confectiekleding en rauwe textielmaterialen. ‘Make do and mend’ stond synoniem met versleten schoenzolen, ragdun geworden truien en doorgesleten boorden die ‘gekeerd’ moesten worden.

Net als nu tijdens de corona-epidemie zagen mensen de Tweede Wereldoorlog (en hun gedwongen zuinigheid) als iets tijdelijks: er zouden weer betere tijden aankomen waarin je gewoon elke herfst naar de winkel kon voor een hippe nieuwe jas. Dus lapte je je oude jas ‘for the time being’ op met grove steken, maakte je een nauwe kokerrok van wat je kon knippen uit een wollen herenhemd, gebruikte je een nylon legerparachute als basis voor een bruidsjurk en breide je een wintersjaal van de vacht van je hond.


Deel van de online expositie ‘Textile Tales from the Second World War’ in het Textile Research Centre, Leiden (2020).

Maar ‘make do and mend’ is geen duurzaamheid. Het is behelpen, pleisters plakken zonder het ware probleem aan te pakken. Achttiende-eeuwers deden dat wel. Zij dachten na over ‘duurzaam design’ in de letterlijke betekenis van het woord. Het plannen van een uitzet is in wezen het plannen van een lange-termijn ontwerpproces: wat heb je nodig, hoe kun je het maken en hoe kun je er zo lang mogelijk mee doen?

En omdat iedereen deed aan textiel-doe-het-zelven, was er veel kennis, kennisdeling en vaardigheid op het gebied van naaien en herstellen. De achttiende eeuwse maakcultuur zorgde ervoor dat alle mensen, dus niet alleen ‘fashion entrepreneurs’, verstand hadden van kleding. Wie iets niets wist, kon nog dezelfde dag vragen om uitleg en voorbeeld bij iemand in de naaste omgeving. (Hoewel er natuurlijk ook wel dingen werden uitbesteed aan commerciële naaisters en kledingmakers, die respectievelijk saai handwerk verrichtten of hooggespecialiseerde taken uitvoerden, zoals het maken van perfect passende rijglijven.) Kledingmaken was bovendien niet zo hopeloos ingewikkeld dat je er een jarenlange coupeuse-opleiding voor zou moeten volgen. Patronen werden per persoon getekend vanuit een eenvoudige basisvorm die werd bepaald door de borstomvang, de tailleomvang en soms ook de heupomvang, en de verticale afstand daartussen. Niks lastige berekeningen of onbegrijpelijke rekenformules zoals bij Rundschau, Danckaerts of de ‘Gouden Snit’-methode. Kunstige sluitingen, zoals met ingenaaide onzichtbare ritsen, waren er niet.


Achttiende eeuwse basisvorm voor een bovenlijfpatroon op basis van 1/2 lengte borstomvang (boven), 1/2 lengte tailleomvang (onder) en de verticale afstand ertussen. Rechts is middenachter, links is middenvoor.

De tentoonstelling Kleding op de bon in het Verzetsmuseum (2019) gaf als één van de meest ontluisterende stellingen dat veel mensen de vaardigheid van naaien totaal waren verleerd, ook al in WOII, waardoor het voor heel veel mensen moeilijk was om zich voldoende beschermd en fatsoenlijk aan te kleden. Ook waren mensen met minder geld extra de klos, omdat zij sowieso al vaak tweedehands kleding droegen die meer versleten was en dus niet meer op te lappen was. Mensen met wat meer geld hadden meestal ook wat meer textiel op zolder liggen.


Rond 1900 waren er hand- of trapaangedreven naaimachines verkrijgbaar die thuisnaaisters in staat stelden om sneller te zomen. Op dit plaatje is een elektrisch aangedreven naaimachine te zien, een van de eerste modellen ‘motor sewing machines’ van vlak na WOI. Beeld: publiek domein.

Na WOII nam de markt het over. Het thuis maken van kleding gebeurde nog wel, vooral omdat fabrikanten geld konden verdienen aan de verkoop van elektrische naaimachines. En ook omdat zelf maken voor thuisnaaisters toch nog voordeliger was dan kleding kopen, vooral kinderkleding. Totdat de textielindustrie in staat werd om kleding zo massaal en zo goedkoop te produceren, dat kopen en weggooien slimmer was voor consumenten dan maken en herstellen. Ook kwam er een infrastructuur van winkelcentra en mode-outlets – om nog te zwijgen van ‘online shoppen’ – die het kopen van wegwerptextiel makkelijker en aantrekkelijker maakte. Liever lekker koffiedrinken met appelgebak in de stad en een nieuwe jurk op de koop toe dan dagenlang zwoegen achter de naaimachine, inclusief knippen, zomen en passen.

En zo gebeurde er in de jaren negentig van de vorige eeuw iets belangrijks op de redactie van weekblad Libelle. Het redactie-atelier, dat sinds de oprichting van het blad elke week een zelfmaakpatroon ontwierp voor ofwel een kledingstuk ofwel iets in huis, werd opgeheven. De dames Libelle-lezeressen moesten maar beter hun garderobe aanschaffen in plaats van vervaardigen. Dat was ‘goed voor de economie en goed voor de werkgelegenheid’. Vanaf dezelfde periode nam neoliberale massaconsumptie een vlucht en ontstond de attitude van ‘fast fashion’ en ‘eenmalig instagram-gebruik’ waarmee ‘wij’ als samenleving afstevenen op de absolute uitputting van natuurlijk grondstoffen, een onomkeerbare schade aan klimaat en biosfeer, en niet te vergeten schaamtevolle afvalbergen met nauwelijks (en soms niet) gebruikt textiel.


Een van de beroemdste schilderijen uit de Gouden Eeuw, Gezicht op huizen in Delft van Johannes Vermeer (1658). Een naaiende vrouw is het centrale focuspunt. Beeld: Rijksmuseum.

Maar wat is er eigenlijk mis met doe-het-zelven, behalve dat het niet past – of uitsluitend als hobby of ‘cosplay’ – binnen de ideologie van het neoliberale marktdenken en geglobaliseerde groei-economie? Alle neoliberale retoriek van ‘zelfredzaamheid’ en ‘persoonlijke vrijheid’ ten spijt, de ware zelfredzaamheid en de echte persoonlijke vrijheid van je eigen kleding maken – van huisnijverheid – is maar weinigen gegund. Inderdaad is het goedkoper en makkelijker om een modieus wegwerpproduct aan te schaffen dan om te investeren in zelfgemaakte kleding die 100% goed past en 100% goed staat. En toch valt er veel te zeggen vóór doe-het-zelven. Een opsomming.

1 Doe-het-zelven is goed voor het klimaat

Kleding maken kost tijd, veel tijd. De consument, die binnen een luttele minuut iets kan hebben aangeschaft met een simpele muisklik, heeft deze tijd onzichtbaar ‘ge-outsourced’ naar de textielindustrie, de modemarkt en de lagelonenlanden. Zelf een japon maken kost ongeveer 40 tot 80 uur, afhankelijk van de moeilijkheidsgraad. Dat is in de fabriek niet anders. Een japon moet immers worden geknipt, gespeld, geperst, gestikt, gezoomd, gebiesd, et cetera. Het verschil is alleen dat in de fabriek mogelijk 80 verschillende arbeidsters elk een uur van dit proces op zich nemen. Een industrieel vervaardigde japon krijgt daarbovenop veel extra productietijd doordat ze moet worden verpakt, vervoerd, opgeslagen, verhandeld, gepresenteerd en geleverd. Er moeten reclamebureaus, modellen, fotografen en vormgevers worden ingehuurd voor campagnes. De gehele productieketen van industrieel gemaakte kleding vergt het verbruik van enorme hoeveelheden fossiele brandstoffen, nog afgezien van de vervuiling en verspilling. Door kleding zelf te maken wordt deze enorme ‘fossiele voetafdruk’ vermeden. En dat levert behoorlijk wat CO2-winst op. Zelf kleding gaan maken is een equivalent van vegetarisch gaan eten.

2 Doe-het-zelven is goed voor het zelfvertrouwen

Wie iets heeft gemaakt dat mooi is, kan daar heel erg (en ook heel erg lang) intens tevreden mee zijn. Niets is zo bevredigend als ergens je best op doen, het ten slotte afronden, om dan vervolgens blij te zijn met het eindresultaat. Dat is een fantastische ‘egoboost’. Bovendien is de kleding gemaakt op je eigen unieke lichaam en past het bij je eigen unieke persoonlijkheid, naar eigen smaak en inzicht. Wat voor postuur en karakter je ook hebt, als je je kleding zelf maakt weet je altijd zeker dat het past en staat. En er goed uitzien is óók heel goed voor je zelfvertrouwen.

3 Doe-het-zelven is goed voor het professioneel op peil houden van millennia-oude kennis en ambachten

Paleontologen hebben via ‘micro-archeologie’ minuscule overblijfselen gevonden van textiel uit de tijd van de Neanderthalers. De technologie van spinnen, weven en naaien is letterlijk zo oud als de mensheid. Je zou zeggen dat zo’n oeroude technologie niet meer afgeleerd kan worden en toch gebeurt het op grote schaal. Er zijn kinderen die nog nooit een naald en draad hebben gezien en die niet weten waar Doornroosje zich nou precies aan prikt wanneer ze zit te spinnen. De industrie heeft zich deze kennis toegeëigend en beschermt die middels patenten en ‘trademarks’. Zelf kleding maken betekent jezelf verdiepen in materialen en constructietechnieken (ambachten), waarvan iets is gemaakt en hoe het in elkaar is gezet. Een ambacht is ‘belichaamde’ kennis: je moet het doen om het te weten, en je moet het jaren doen om het echt te kunnen. Je kunt wel over een ambacht lezen in een boek of een film bekijken op YouTube, maar je kunt het ambacht niet onder de knie krijgen (of in stand houden) zonder het zelf uit te voeren.


Naaigerei aan een tuigje (Westfriese chatelaine uit 1767). Beeld: Zuiderzeemuseum, Enkhuizen.

4 Doe-het-zelven is goed voor oplossingsgericht denken en innovatie
Elk zelfgemaakt kledingstuk is een puzzel waarbij ook de meest ervaren naaister weer tegen een ‘kennisgrens’ aanloopt. Altijd is er iets wat je niet snapt, wat je verkeerd hebt gedaan of wat je moet uitvogelen. Zelf kleding maken is een voortdurend leerproces waarin je constant groeit en stappen maakt. Aanhoudend oplossingen moeten bedenken is een langdurig ontwerpproces dat uiteindelijk leidt tot nieuwe inzichten en innovatieve doorbraken.

5 Doe-het-zelven is goed voor de diversiteit

Antieke kledingstukken die de tand des tijds hebben doorstaan, onthullen één belangrijk kenmerk: niets is precies hetzelfde. Maat en vorm zijn uniek toegesneden op de (laatste) draagster, constructie en reparaties zijn volledig uniek toegepast door de (laatste) maakster. Kledingstukken kunnen ‘forensisch’ worden onderzocht om unieke sporen van gebruik, opslag en herstel te ontdekken. Geen vrouw is hetzelfde, geen kledingstuk is hetzelfde. Doe-het-zelven doorbreekt de standaardisering van massaproductie en confectielijnen en vergroot daarmee de diversiteit.


Jonge vrouwen in het Amsterdamse Burgerweeshuis naaien samen. Schilderij van Max Liebermann uit 1881. Beeld: Städel Museum.

6 Doe-het-zelven is goed voor de gezondheid

Naaien is lichamelijke arbeid, al lijkt dat misschien niet zo. Immers is het bekende beeld dat de naaister stil op een stoel bij het raam zit, of geconcentreerd achter de naaimachine. Maar het vergt spierkracht om de materialen goed vast te houden of om die netjes door de machine te geleiden. Een groot kledingstuk is zwaar om lang in de handen te houden. Strijken, een patroon knippen en aan elkaar spelden is een soort yoga die je soms op handen en knieën moet uitvoeren. De fijne handmotoriek en geconcentreerde hand-oogcoördinatie van het daadwerkelijke stikken zet de hersencellen op een gefocuste manier aan het werk. De repetitieve herhaling van bepaalde naaihandelingen schijnt stress-verlagend te werken en zo bij te dragen aan mentaal welbevinden.

7 Doe-het-zelven is goed voor de gezelligheid en het ‘community-gevoel’
Stel, mensen gaan op grote schaal hun eigen kleding maken. Dan ligt het voor de hand dat er publieke werkplaatsen komen waar ze naaimachines, snijtafels, stoomstrijkijzers en andere hulpmiddelen (lasercutters, 3D-printers) kunnen delen, alsmede ‘bibliotheken’ met naaipatronen en ruilkraampjes voor het uitwisselen van stoffen en fournituren. Vrouwen hebben in de loop van de geschiedenis elkaar vaak opgezocht om samen kleding naaien (of om dekens te quilten, of om truien te breien, of om halsdoeken te borduren). In groepsverband iets doen (in dit geval naaien) is een sterke sociale verbinder. Als individu kun je trouwens niet eens alle naaihandelingen alleen verrichten: voor maten opnemen, mouwen inspelden en rokzomen afspelden, om maar wat te noemen, is assistentie noodzakelijk.


Moderne naaikamer. Beeld: Teresa van Twuijver.

Het (verre) verleden heeft de (nabije) toekomst. Sinds de coronacrisis daalt het besef neer dat wegwerptextiel niet belachelijk weinig kost bij de Primark, maar integendeel een onvoorstelbaar hoge hypotheek legt op de fundamentele levenskansen van kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Doe-het-zelven is niet alleen slim om daarmee een halt toe te roepen aan overconsumptie en wegwerpgedrag, maar zorgt ook dat de basale kennis over kledingconstructie en textiel – letterlijk – weer onder de mensen komt. In de Staatsliedenbuurt in Amsterdam-West zijn inmiddels twee studio’s (Doe-het-zelf Diva’s en De Steek) waar naailes wordt gegeven. De wekelijkse lapjesmarkt in de Westerstraat heeft meer dan dertig kramen voor ruwe materialen, stoffen op de rol en fournituren.


De stoffenkraam van Bianca van Mechelen (gespecialiseerd in natuurlijke stoffen en mooie restpartijen) op de wekelijkse lapjesmarkt in Amsterdam, elke maandagochtend op de Westerstraat.

Speciale vermelding waard is de Feministische Handwerk Partij, een kunstenaarsinitiatief dat aandacht vraagt voor een hernieuwde relatie tussen textiel en menselijkheid. De Feministische Handwerk Partij organiseert performances en speciale bijeenkomsten (de ‘Naaikrans’) waarbij samen handwerken, studeren en meditatie (‘wellness’) centraal staan.


‘Wij willen herstel bewerkstelligen van de verstoorde relatie tot onze directe omgeving en van een beschadigde wereld in zijn geheel. Het repareren van textiel speelt hierin een belangrijke rol omdat het een oefening is in vertragen, belichamen en transformeren. Daarmee verbinden we ons met de onderbelichte geschiedenis van textielproductie binnen de dagelijkse realiteit van vrouwen. Tijdens onze bijeenkomsten laten wij handwerken en studeren volledig door elkaar heen lopen. Daarmee willen we de diepgewortelde neiging tot een hiërarchische scheiding tussen lichaam en geest (waarbij de geest boven de materie gesteld wordt) ‘ontleren’.’ Bron en beeld: Manifest van de Feministische Handwerk Partij.