Van kaper tot tuinbroek: twee Zaanse meisjes, twee eeuwen Zaanse identiteit
Longread
Twee Zaanse meisjes, twee eeuwen uit elkaar. Aafje Gijsen was jong in 1773, ik was jong in 1985. Aafje droeg Zaanse streekdracht, met jakken en kapers; ik droeg zelfgemaakte rokken en tuinbroeken, geïnspireerd op popsterren en MTV. Toch waren we allebei heel gewone Zaanse meisjes, met dezelfde gewone rituelen: hangen met vriendinnen, lol maken op feestjes, spelen met mode en identiteit. Hieronder volgt een overzicht van wat we droegen, van ondergoed tot jas.
English Summary
Two centuries apart, two Zaan girls reveal the intimate language of clothing. In 1773, Aafje Gijsen, daughter of a well-to-do miller, wore the region’s distinctive ‘Zaan’ attire, corseted bodices, layered skirts, woollen aprons, and the stiff, gold-adorned kaper that marked local identity, crafted by hand and embedded with social meaning. In 1985, Teresa van Twuijver navigated her teenage years in the same Zaan district with thrifted and self-made garments, denim, hand-dyed fabrics, and DIY touches inspired by pop icons like Boy George, turning limited means into personal expression. Across the centuries, what both girls wore was more than clothing: it was a negotiation of taste, community, and selfhood, a thread connecting past and present in the fabric of Zaan life.
Een Zaans meisje in 1773 – Aafje Gijsen
Wat droeg een Zaans meisje in de jaren zeventig van de achttiende eeuw? Omdat Aafje Gijsen (1752-1782) gedurende drie jaar nauwgezet een dagboek bijhield (Het dagverhaal van Aafje Gijsen 1773-1775) is zij misschien leuk om als voorbeeld te nemen. Ook omdat in haar tijd kleding werd gedragen die als ‘Zaanse streekdracht’ te boek staat en die tot circa 1780 gold als typisch voor het gebied.
In de decennia daarna verdween de Zaanse dracht langzaam naar de verkleedkist. Vrouwen schakelden over naar ‘burgerdracht’, al bleven ze de kanten kap met dure voorhoofdsspeld en oorijzers tot laat in de negentiende eeuw dragen bij hun modieuze japonnen.
Aafje Gijsen was de dochter van een welgestelde, doopsgezinde eigenaar van windmolens en houtzagerijen uit westelijk Zaandam. Haar familie was niet steenrijk, zoals andere Zaanse families en industriëlen, maar toch had Aafje een leven van comfort en redelijke luxe. In de periode dat ze haar dagboek bijhield was Aafje ongetrouwd (ze was 20-23 jaar en trouwde voor die tijd laat, pas op haar 27ste).
Aafje hield er een druk sociaal leven op na, met vele vriendinnen en jonge mannen die dongen naar haar hand, met feestjes en gezellige avondjes, met bezoekjes en etentjes, met theaterbezoek en logeerpartijtjes naar ’s Gravenland, Purmerend en Haarlem. Vaak nam Aafje met haar vriendinnen en vrienden de ‘sjees’ of de boot naar Amsterdam, om daar wat te shoppen, koffie of thee te drinken en te wandelen langs de ‘gragtjes’.

Er is geen portret of tekening bewaard gebleven van Aafje Gijsen, maar uit haar dagboek valt op te maken dat zij de Zaanse kledingstijl droeg. Zo noteert ze op 14 februari 1775 dat ze een Zwitsers heerschap ontmoette in de ‘Hollansche Schouburg’ die ‘zeer veel behaagen’ vond, ‘zoo hy zy, in de Zaandammer dragt’, hoewel hij haar tevens probeerde over te halen om haar kaper af te zetten, want ‘met de kaper op geleek Aafje wel een nonnetje’. Aafje bedankte voor de eer en moest na thuiskomst met vriendinnen Leentje, Catootje en Mietjebet best wat lachen om deze vrijpostige Zwitserse man.
Naaien was een vast onderdeel van de opvoeding en scholing van meisjes als Aafje Gijsen. Ze maakten daarbij hun eigen kleding en linnenuitzet (de linnenuitzet was het textiel dat vaak gewassen moest worden en dus nooit werd gemaakt van kostbare stoffen als zijde en wol – denk aan ondergoed, beddengoed en keukengoed).
Naaien werd thuis gedaan in de uren dat er niets anders te doen was. Aafje naaide tevens vaak samen met vriendinnen tijdens visites en ze gaf soms naailes, bijvoorbeeld aan Maa buur Koning, die nadien op haar beurt naailes gaf aan ‘mademoiselles’ en op 29 mei 1773 Aafje specifiek bedankte voor alle tips en trucs.

De Zaanse streekdracht in Aafjes tijd volgde qua silhouet het modebeeld van de midden tot late achttiende eeuw, dus met een gekorseteerd lijfje tot op het heupbot en vormend ondergoed zoals een beuling (heuprol) of paniers (heuphoepels) voor een wijd uitstaande rok.
Zaanse vrouwen droegen liever geen japon omdat dit te ‘opzichtig’ werd geacht in de zwaar doopsgezinde gemeenschap. Vrouwen droegen liever een ‘eenvoudige’ kassekien (jak) van dure zijden brokaat of kostbare uit India geïmporteerde sits, met een weelderig geplooide wollen of zijden ‘wagt’ (overrok) en een wollen of zijden boezelaar (schort). De driekwart mouwen werden aangevuld met wantjes (mitaines) tot de elleboog.
Typisch voor de Zaanse dracht is wat op het hoofd wordt gedragen: een kaper (verstevigde hoofddoek zonder plooien), een kanten kap met oorijzers en een vergulde voorhoofdsspeld dwars over het voorhoofd.
In die tijd waren er geen glossy magazines of Instagram. Vrouwen haalden hun inspiratie uit elkaar, uit gravures en uit modepoppen of porseleinen vrouwfiguren in miniatuurkleding die van hand tot hand gingen, soms door heel Europa, om te laten zien wat in een bepaald gebied het modebeeld bepaalde.

Wat droeg een Zaans meisje in 1773?
- Onderhemd
- Onderrok
- Diezakken (losse zakken aan een heupriempje)
- Beuling of/en paniers (heuprol en heuphoepels)
- Rijgkorset (rijk gebalineerd) of lijfje (licht of niet gebalineerd)
- Kraplapje of chemisette (schouderhemdje dat valt over de bovenrand van het korset)
- Ondermuts met randje nephaar
- Wollen of zijden kousen
- Lage schoenen met hakje en voorgesp
- Onderrokken (een tweekleurig, een gestreept, een meerkleurig; van wol, linnen of katoen; in de winter gewatteerd en gequilt)
- Wagt (kostbare wollen of zijden bovenrok)
- Kassekien (jak met lange of korte schoot en driekwart mouw met ‘varkensoor’manchetten of afneembare kransjes)
- Boezelaar (schort)
- Fichu (halsdoek)
- Sierbanden: geborduurd borst- en schortlint die over de kassekien worden gespeld of gehaakt
- Kanten hoofdkap met vergulde oorijzers, naalden en voorhoofdsspeld
- Kaper
- Mantel(tje) als het koud was of regende
- Aan het schortlint hingen een geborduurde buidel en een vergulde tuigje met naaigeraai (chatelaine)

Vrouwen in de achttiende eeuw konden een grote garderobe hebben, maar schaften slechts een paar keer per jaar iets nieuws aan. Dat wil zeggen dat ze dan in de winkel of bij een reizende marskramer (in het Zaans ‘lappiespoep’) een paar meter stof kochten waar ze vervolgens zelf een kledingstuk van maakten of lieten maken door een naaister.
Even terzijde: mannen lieten hun kleding maken door een kleermaker; vrouwen, meisjes en minderjarige jongens gingen naar de naaister. Voor een korset gingen vrouwen dan weer wel naar een specialistische, meestal mannelijke korsetmaker, want voor het maken van een korset, met vele stevige lagen stof, waren zeer sterke handen en brute spierkracht vereist.
Omdat de mode maar heel langzaam veranderde, spaarde een vrouw zo door de jaren heen haar hele garderobe bij elkaar en kon ze de aparte stukken, soms met kleine aanpassingen of reparaties, haar leven lang blijven doordragen.
De Zaankanters stonden bekend om hun voorliefde voor felle kleuren en bonte patronen. Na een feestelijke bruiloft beschrijft Aafje Gijsen de kleding van het bruidspaar en de gasten, alsmede die van haarzelf. Op dinsdag 7 februari 1772, de dag van het huwelijksfeest, droeg de bruid een ensemble van rode moirézijde en bloemmotieven, de bruidegom was gekleed in pompadoer (felgekleurde jacquard katoen of zijde met meerkleurige bloemmotieven, geborduurd of gedrukt). Overige dames, ‘rekelik met diamante behange’, droegen wit met gekleurde bloemen (waarschijnlijk sitsen stof), paarse stof met bloemen, blauwe moirézijde met bloemen, lavendelkleurige ‘trieumfante’ (gros de tours-geweven zijde met ingeweven of geborduurde bloemmotieven), blauwe ‘trieumfante’ met kleine witte bloempjes. Aafjes vriendin Groetje droeg een zijden wagd (overrok) met lavendelkleurige gestreepte kassekien (jak), Aafje zelf droeg een groene ‘stoffiesie’ (wollen) wagd met een blauwe zijden kassekien.







Iets wat Zaanse meisjes twee eeuwen later zeer zeker niet in de kast hadden liggen, en waarschijnlijk tot op heden niet, was het ‘doodgoed‘ dat elk Zaans meisje in de achttiende eeuw maakte als ze ging trouwen.
Het ‘doodgoed’ was een mooi linnen hemd waarin de vrouw na overlijden een beetje knap de kist mee in kon, om er keurig uit te zien voor de eeuwigheid in het graf. De overige kleding ging in de nalatenschap of werd weggeschonken. De kans op een vroege dood was aanzienlijk in de achttiende eeuw: 1 op de 12 vrouwen stierf in het kraambed. Ook Aafje Gijsen. Na de geboorte van haar zoon stierf zij aan complicaties tijdens het kraambed. Ze was 28 jaar oud.
Een Zaans meisje in 1985 – Teresa van Twuijver
Wat droeg een Zaans meisje in de jaren tachtig van de twintigste eeuw, meer dan twee eeuwen na Aafje Gijsen? Ik kan alleen maar putten uit mijn eigen verleden en terugkijken naar wat ikzelf droeg toen ik jong was en in de Zaanstreek opgroeide.
Ik had in die tijd weinig geld, of beter gezegd, ik was straatarm. In tegenstelling tot mijn vriendinnen kreeg ik geen kleedgeld van mijn ouders, dus ik had al op jonge leeftijd een bijbaantje om kleding te kunnen kopen en vooral om kleding te kunnen maken van lappen die ik vond op de wekelijkse dorpsmarkt. Gelukkig was dit bijbaantje bij Mac & Maggie, een van de hipste modewinkels uit het decennium, dus ik kon me uitleven in wat ik aanhad tijdens de donderdagavonden en zaterdagen dat ik er werkte (verplicht kleding dragen uit het assortiment, maar wel naar eigen keuze).
Van het schare loon (ik was jong, dus ik verdiende 2,25 gulden per uur, exclusief reiskosten) kocht ik af en toe iets in de uitverkoop of uit de sample-sale.
Ik kende de goedkoopste adresjes, zoals de legerdump in het dorp en het Waterlooplein in Amsterdam. Het assortiment van de plaatselijke middenstand was zo wanstaltig lelijk en smakeloos, dat ik kledingzaken en confectiewinkels links liet liggen.
Ik zat heel wat uurtjes achter een loodzware oude naaimachine van blauw gehamerd staal, waarvan ik altijd droomde dat die ooit van mijn oma was geweest. Later, toen mijn moeder een nieuwe naaimachine kreeg, werkte ik ook wel op haar verderlichte Singer met onhandig ‘luchtpedaal’ (typisch zo’n technisch snufje waar ‘hobbynaaisters’ voor vielen, maar die in de praktijk eigenlijk onwerkbaar was voor het ‘grootverbruik’ van de serieuze ‘thuiscoupeuse’).
Toen ik het huis uitging was mijn eerste grote aankoop, waarvoor ik zelfs een lening afsloot, een Brother naaimachine uit het assortiment van Vroom & Dreesmann
Door mijn specifieke gezinssituatie ontving ik nooit vriendinnen thuis, dus ik ging niet, zoals Aafje Gijsen, met hen ‘lekker naaien’ (handwerk deed ik toen niet en die loodzware naaimachine nam ik niet mee naar waar mijn vriendinnen woonden).
Wel ging ik praktisch elke dag bij vriendinnen op visite. We maakten net als Aafje Gijsen uitstapjes (markt, strand, winkelstraat) en we gingen in het weekend dansen in De Waakzaamheid, naar een concert in Drieluik of naar een feestje.
Wat we het meeste deden als vriendinnen samen was, na schooltijd, lange middagen bankhangen, theedrinken, kletsen en MTV kijken. MTV was een televisiezender met een aaneengesloten programma van muziekclips, het toenmalige YouTube.
MTV was ons ‘mode-magazine’, zeker voor mij omdat ik geen kleding kon veroorloven uit de mode-boetiekjes. Van MTV haalde ik mijn kledingideeën. Waar Aafje Gijsen ongetwijfeld keek naar leuke vrouwen in haar omgeving om na te apen, zo keek ik naar popsterren, zoals alle meisjes van mijn generatie, zoals alle meisjes vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw.

Mijn eerste rolmodel was de Britse zanger en mode-icoon Boy George van de band Culture Club, waar ik als meisje diep (diep) van onder de indruk was. Iemand als Boy George had ik nog nooit gezien in mijn uithoek van de Zaanstreek, en die kreeg ik ook nooit te zien, want mensen als Boy George zag je alleen maar op televisie.
(Toen ik wat ouder werd schaamde ik me voor de bevlieging, want Boy George was niet ‘cool’ en zijn fans waren gillende meisjes en ‘Boy-dressers-copycats. Nu, op latere leeftijd, vind ik Boy George weer een held. Waarschijnlijk heeft hij heel wat sociaal-culturele drempels kunnen wegnemen voor mensen die behoefte hadden aan meer zelfexpressie en acceptatie.)

Op mijn zestiende organiseerde ik een mode-show op school, met zelfgemaakte kleding van met verfspatten besproeide oude lakens, geïnspireerd op wat ik ooit bij Boy George had gezien. Ik had hiervoor de lakens op straat gelegd en me helemaal uitgeleefd. In wezen had ik, zonder dat ik het wist, een ‘collectie’ gemaakt en mijn vriendinnen en vrienden wilden de kleding wel laten zien op een catwalk van tafels in de schoolkantine. We hadden zelfs een bijpassend decor geschilderd, met een roze panter op een tropisch palmeneiland.

Wat ik zelf vaak droeg, had ik voor een opdracht voor het vak ‘textiele werkvormen’ een keer aan de muur gehangen als collage. Ook weer kleding van zelf geverfde stoffen. In wezen hing mijn hele uitzet in dat lokaal. Nu ik hierop terugkijk, zie ik grote parallellen met de uitzet die ik maak voor Uitzet2090: Zaankogerland, alsof ik een U-turn heb gemaakt naar het meisje dat ik toen was.

Wat droeg een Zaans meisje in 1985?
- Onderbroek
- Beha
- T-shirt of bloesje met opgerolde mouwen
- Tuinbroek of kuitbroek met opgerolde pijpen of een minirok met panty
- Eventueel een oversized mannenhemd die aan de punten werd geknoopt of een kort wijd jakje
- In de winter ging daar een zelfgebreide slobbertrui overheen
- Platte schoentjes met een punt aan de neus (met sokken in de winter, zonder sokken in de zomer) of stoffen gympjes (Converse All-Stars)
- Een tweedehands tweedjas met een gebreide sjaal en handschoenen als het heel koud was, bij extreem koud weer een muts maar liever niet
- Accessoires: grote plastic oorbellen, bijpassende halsketting met plastic kralen, zakdoek of sjaaltje in het haar, dunne riempjes om de heupen, Lolita-zonnebril
Mijn garderobe was niet groot. Ik had een paar zelfgemaakte rokken en broeken, een gekochte (tweedehands) spijkerbroek en een tuinbroek, wat T-shirts en katoenen bloesjes, wat overjurkjes, wat wijde blouses en twee tot vier gebreide truien. Twee beha’s, een stuk of 15 onderbroekjes, een stuk of 8 paar sokken en hooguit 3 panties. Ik deed lang met dezelfde jas en dezelfde schoenen, tot die versleten waren.
Wat heel belangrijk voor me was: ik droeg een paar contactlenzen, waar ik extra zuinig op was want ik wilde beslist geen bril op mijn gezicht (ik was daar als jong meisje mee gepest, vooral omdat mijn moeder zich door de opticien een paar hippe ‘rook-getinte brillenglazen had laten aanpraten, waardoor het leek alsof ik altijd een zonnebril droeg).
Ik had geen mooie of dure kleding in de kast hangen voor gelegenheden, zoals bruiloften en begrafenissen, maar dat kwam vooral doordat ik zo weinig te besteden had. Was er een feest, dan maakte ik van goedkope materialen iets dat ik misschien maar die ene keer droeg.
Als ik uitging (elke zaterdagavond) dofde ik mezelf op met make-up, gekruld en getoupeerd haar, sierriempjes rond mijn heupen en extra opvallende oorbellen. Ik had een zwart-wit gestreepte panty die ik speciaal bewaarde voor uitgaan naar De Waakzaamheid in Koog aan de Zaan of Drieluik in Zaandam. De Waakzaamheid was al in de 17de eeuw een herberg, dus ook Aafje Gijsen zal ermee bekend zijn geweest.










